|
Terugblik
Jaap Grootveld
Augustus
2003-08-06
Geboren:
27/06/37
Te
Scheveningen
Ik
ben geboren in een vissers familie. Vader was visser
evenals 7 broers van moeders kant. Buren, vrienden,
enz, allemaal hadden ze wat van doen met de visserij
daar ontkwam je ook niet aan. Het was daarom niet verwonderlijk
dat ik ook naar de visserij wilde. Mijn vader had echter
andere plannen met zijn enig zoontje. Varen, prima,
maar wel naar school en naar de koopvaardij.
Mijn vader was vanaf zijn tiende tot zijn dertigste
visserman, toen moest hij thuiskomen van mijn moeder.
Vanaf dat moment had hij allerlei walbaantjes totdat
hij sluiswachter kon worden. Elk jaar voer de vissersvloot
in Mei uit in Scheveningen en al was het 5 uur in de
morgen het zag toen zwart van de mensen. Ht was vlak
na de oorlog en de kans om op een mijn te lopen was
vrij groot, vandaar dat iedereen ze toen uitzwaaide,
ongeacht hoeveel dagen ze gingen .
Op
het weekend van 10 december was ik thuis en vierden
we het verlovingsfeest van mijn neef, die bij ons inwoonde.
Om twaalf uur hoorde ik een aanhoudende sirene van de
haven, waar we vlakbij woonde. Er zat een logger op
de pier, bij redelijk rustig weer, maar ze konden zonder
hulp er niet afkomen. Nou wij er naar toe, er liepen
ijzeren treden vanaf de pier naar beneden en we hadden
een nijlon tros meegenomen die we naar hen toe wisten
te gooien en vastmaakten aan een van de treden. Toen
de lijn zo strak mogelijk spannen en de bemanning eraf
halen, sommigen deden dat snel anderen moesten geholpen
worden. De wind nam steeds meer toe, tot zo’n, windkracht
7 en de vloed kwam op dus die logger zat soms onder
de grondzeeën.
Op
het laatst stonden alleen de schipper met zijn zoon
nog aan boord maar op de kop, dicht bij de zee. Wij
schreeuwen dat ze naar het achterschip moesten gaan.
Toen probeerden ze tussen twee zeeën in naar het achterdek
te rennen. Er kwam toen een dikke grondzee; we zagen
niks meer en toen die zee weg was stond alleen de vader
er nog. We hebben wij hem uit zijn hoofd om terug naar
het voordek te gaan en hij kwam als laatste van boord.
Inmiddels was het 5 uur geworden en had ik vier uur
in het ijskoude water gestaan. Mijn neef was er al eerder
mee opgehouden maar ik had een dikke jas aan en dat
hielp toch wel wat. In zo’n situatie moet je het ook
hebben van de adrenaline die door je heen giert.
Toen
we van de pier bij de boulevard kwamen stonden daar
duizenden mensen. Dat verbaasde me toen wel, duizenden
mensen die toekijken hoe een paar man hulp verlenen.
We hadden na een tijdje wel hulp gehad van een aantal
politieagenten. Later kreeg ik uit de handen van de
Booij meen ik, zo’n medaille en ook nog een van het
Carnegie Heldenfonds. Het leukste vond ik dat de Vaan,
die in het bestuur daar van zat en een herenmode zaak
had, mij een nieuwe jas en nieuw pak aanmeette.
Begin 1954 als begon ik als ketelbink op de Rijndam
een passagiersschip van de Holland Amerika Lijn.
Een
ketelbinkie was eigenlijk een bediende van de matrozen.Het
was een schip van 15.000 ton met alleen al 35 man dekpersoneel.
Je moest alle vuile werkjes opknappen, afwassen, boenen,
hutten schoonmaken en ’s-middags kreeg je dan wat praktisch
onderwijs in kabelsplitsen, meniën en zo meer.
Ik
heb het nog nooit zo slecht gehad als op dat schip.
Zeeziek, pesterijen alle dingen die ieder beginnend
zeeman over zich heen heeft laten gaan. Een standaard
opmerking in die tijd was: ”Je dacht toch niet dat het
altijd vrouwen en drank is er moet ook nog gewerkt worden”.
En gewerkt werd er.
Mijn
eerste kennismaking met de Verenigde Staten.verliep
via een immigratieambtenaar die mij vroeg: “Are you
communist”? Dat was het senator Mc Carthy tijdperk.
Ik schrok me rot maar gelukkig werd ik niet gearresteerd.
Een ander verschijnsel uit die tijd: de pikken parade,
de hele bemanning op een rij met je leuter in je hand
en een “dokter”die al dan niet genietend er langslopend
keek of het wel goed hing.
Een
goede tijd, soms ruw soms eenzaam,maar er was ook altijd
bescherming van de oudere mensen als het een keer uit
de hand dreigde te lopen. Gelukkig heb ik maar 5 maanden
op dat schip gevaren want passagiers schepen waren in
die tijd niet populair bij dek bemanningen.
Daarna
een reis op een Victory schip van 13 maanden, varende
tussen New York en Buenos Aires. Alle grote en kleine
havens van Zuid Amerika deden we aan. Sinds die tijd
heeft het Zuid-Amerikaanse gebied altijd een grote aantrekkingskracht
op me gehad. Ik heb toen ontzettend veel lol gehad,
veel geleerd,ook veel verkeerde dingen maar je moet
de verkeerde dingen leren herkennen om de goede te kunnen
kiezen.
Na
13 maanden terug naar de harde werkelijkheid op de Noordam.
Racen tussen Rotterdam en NewYork, vracht en een beetje
passagiers een schip van 1938. Een goed schip en het
liep lekker, 18 mijl. Leuke snelheid maar bij slecht
weer vloog het water er wel over. En in de winter gebeurde
dat nog wel eens, de winters op de Noord Atlantic zijn
berucht. Het was
in
die tijd nog de gewoonte dat je uitkijk liep op de bak
en met slecht weer werd verwezen naar het schavotje
(boven op het stuurhuis). Op een dag stond ik op de
bak mijn verantwoorde taak in te vullen, het was een
beetje heiig een stukje of 5 wind, niets ongewoon op
de Noord Atlantic. Af en toe kwam er een beetje buiswater
over. Niets verontrustends voor de stuurman van de wacht.
Maar voor mij wel want de wind begon ondertussen aardig
toe te nemen en ik zag me zelf al weer nat, koud en
kleumend de rest van mijn wacht doorbrengen. Ik belde
de stuurman en die vond natuurlijk dat ik het sterk
overdreef en gelaste me daar te blijven. Dat was natuurlijk
heel flink van die stuurman en heel romantisch voor
de passagiers. Die konden namelijk van achter het glas
op het promenade dek die onverschrokken zeeman bewonderen,
die ondanks de elementen zijn taak stond te volbrengen….
Na
een minuut of 15 besloot ik het lot in eigen hand te
nemen en mijn post te verlaten.
Nu
was het op dat schip de gewoonte om de bel in dit soort
situaties mee te nemen en in het kabelgat op te bergen
tot betere tijden. Met de bel in mijn armen, het ding
woog minstens 20 kg, had ik nog geen 3 stappen naar
de trap gezet of ik werd opgelicht door een enorme zee;
de trap en de reling heb ik nooit meer gezien. Ik vloog
met bel en al hoog over het dek en kwam met een klap
tegen het dekhuis in the midscheeps.
Door
het vele water aan dek helde het schip over naar bakboord,
naar de kant waar ik lag, waardoor, onder water, ik
klem kwam te zitten tussen dekhuis en de verschansing.
Ademhalen kwam even niet gelegen en ik zou haast verzopen
zijn aan dek. Gelukkig liep het water door de waterloos
poorten weg en kon ik er onder uit kruipen. Ondertussen
had de kapitein vermogen terug genomen en kwam de stuurman
van de wacht op het voorschip om te vragen of alles
goed met me was. Ik was op dat moment even niet in staat
om hem van het leven te beroven maar het scheelde niet
veel….
Ik
was in die tijd 18 jaar en matroos en maakte toen de
afspraak met mezelf om eens weer terug naar school te
gaan want wat deze stuurman kon moest ik veel beter
kunnen.
Het naar school gaan heb ik nog een jaar of 2
uitgesteld omdat ik de Holland Amerika lijn inwisselde
voor Van Nievelt Goudriaan ook te Rotterdam. Zij voeren
met coasters op Zuid –Amerika, Afrika en de Middellandse
zee en een paar scheepjes op de Oost Zee. Ik heb op
vele van deze lijnen gevaren als matroos en ben toen
in 1960 naar school gegaan om mijn kleine handelsvaart
plus aanvulling diploma`s te halen.
Als
tweede en eerste stuurman heb ik met veel plezier op
deze schepen gevaren. Rotterdam We gingen via Montevideo
and Buenos Aires de Rio de la Plata op,vervolgens de
Rio Parana naar Rosario en vandaar de Rio Paraquay naar
Asuncion in totaal 1700 km.Moet je nagaan , dan gingen
we daar met een scheepje van 800 ton naar toe, met dertien
bemanningsleden, hoe het uitkon weet ik nog niet maar
veel verdienen deden we niet Je leert op zo’n klein
schip natuurlijk wel veel.
We
voeren stukgoed voor het Stroesner bewind. Het kwam
regelmatig voor dat een hoge militair aan de kade stond
of zijn Mercedes wel met ons mee was gekomen. Een keer
werd ons duidelijk gemaakt dat die er als eerste uit
moest. We adviseerde hem dat het beter was als we eerst
wat andere lading losten omdat dat veiliger was voor
de Mercedes. Maar daar was geen sprake van en mijn Guarani
was niet geweldig, maar het leek ons toe dat hij dreigde
met het vuurpeloton. We hebben hem toen zijn zin gegeven.
Helaas viel toen een luiken beam op de Mercedes en was
hij ”total loss” en volgens mij denkt hij nog steeds
dat we het express gedaan hebben.Na het verlies van
Indonesië en de opkomst van de goedkope vlag landen
begon de Nederlandse koopvaardij vloot het moeilijk
te krijgen en werden de veel goedkopere bemanningen
uit Spanje, later Philippijnen en nog later Indonesië
gehaald.
In 1964 kreeg ik door inkrimping van de vloot
mijn ontslag bij van Nievelt Goudriaan en heb ik een
paar jaar bij de Norfolk Lijn gevaren tot grote vreugde
van mijn vrouw vanwege de zeer korte reizen (1 a 2 dagen)
en ik ben daar nog kapitein geworden maar mijn hart
lag daar niet. Dat werk daagde mij niet uit maar het
was toen niet best in de scheepvaart.
In 1967 kreeg ik een nieuwe uitdaging. Er was
gas gevonden in de Noordzee en de olie maatschappijen
sprongen er bovenop. Er ontstonden nieuwe rederijen
en een nieuw type schip deed zijn intrede in de Noordzee.
Supply-schepen werden ze genoemd, een soort duizendpoot.
Een bevoorradingsschip en sleepboot ineen, met relatief
veel vermogen; het kon slepen , ankers behandelen ,
passagiers meenemen en vloeibare en dekladingen vervoeren.
Het varen met passagiers was een fiasco door het vele
slechte weer. Dit werd al snel over genomen door helikopters.
Normaal als kapitein was je gewend voor een obstakel
in zee uit te wijken, en nu ging je er juist naar toe
om daar lading af te geven of over te nemen. Nou dat
ging tegen je zeemanservaring in, dat begrijp je wel.
Het was pionieren maar het gaf veel voldoening.
Het “cluppie” waar ik terecht kwam heette International
Offshore Services (IOS). Het was een onderdeel van vier
grote rederijen. t.w. P & O lines (engels), Delmas
Veilieux (Frans) en Hudig en Pieters (ned.) en een grote
Noorse maatschappij waarvan de naam me is ontschoten.
Ik ben daar als kapitein begonnen. In het land der blinden
is eenoog koning.
Maar
alras vielen daar slachtoffers onder de rederijen, door
concurrentie en mismanagement. Ik heb toen in 1973 mijn
ontslag genomen en werd a.h.w. ingelijfd door SMIT-LLOYD
een dochter van Smit Internationale. Zij hadden een
grote uitbreiding van de vloot en zaten te springen
op ervaren mensen. In Januari 1974 ben ik daar als stuurman
begonnen maar werd al na 6 weken gepromoveerd tot kapitein.
Mijn
eerste klus was met de Smit-Lloyd 42, een klein vermogen
bevoorradingsschip bij een booreiland in Ghana, schepen
met nummer veertig hadden 4000pk. Die klus eindigde
met het slepen van dat booreiland naar de Noordzee.
Zo’n booreiland is natuurlijk niet zeewaardig, dus als
je hem sleept met de poten nog diep uit dat is anderhalve
mijl al snel. Als je hem verder moest verslepen dat
werden die poten ingetrokken.Daar heb ik mijn beste
jaren gehad. Smit-Lloyd had in die tijd superieure schepen
en een volledige Nederlandse bemanning en dat was in
die tijd zeer zeldzaam.
Zowel
bij de IOS als bij SMITLLOYD heb ik de halve wereld
rond gezworven:
Van
de Noordzee tot Bass Straight in Australie. Van Vietnam
tot Venezuela in Zuid Amerika.Van Kaapstad tot de Barentz
Zee.Van Canada tot West Afrika.
Bij Smit kwam ik ook al gauw met andere takken
van de maritieme industrie in aanraking.
In
1986 had ik het wel gezien als kapitein en werd ik towmaster
voor speciale klussen, en tussentijds dan wel weer een
sleepklus of zo iets. Mijn eerste klus was het slepen
van een pijpleiding. Die maakten we eerste drijvend,
ze konden wel 5 kilometer lang zijn en lagen vaak tussen
twee produktie platvorms , in die pijp zaten dan allerlei
kleinere pijpen voor water, gas en wat dan nog. Door
er water in te laten zonken die pijpen en om de 20 meter
zaten er kettingen aan waarmee je kon meten hoe ver
je boven de bodem zweefde. Als die afstand goed was
ging je trekken
Als
Towmaster werd ik ook ingeschakeld bij het verslepen
van booreilanden van de ene boorlocatie naar de volgende;
het installeren van Productie platforms, FPSO’s en pijpleidingen.
Bij
de Storebelt brug in Denemarken moest ik het transport
regelen van de brugdelen en die waren 200 meter lang.
Toen ik dat had voorbereid werd ik ontslagen volgens
de afspraak van de vakbond dat een iedereen met 57.5
jaar met pensioen kon gaan. Toen hebben ze me maar meteen
weer in dienst genomen als vrije jongen want ik had
alles voorbereid en moest het nou ook maar afmaken .
Mijn
laatste reis op een schip was een sleepreis van Las
Palmas naar Rotterdam. Dat was een Bulkcarrier die op
de rotsen had gezeten en na een noodoperatie heb ik
hem naar Rotterdam gesleept. Het was een onding om te
slepen, hij gierde van bakboord naar stuurboord en nam
ons elke keer een stuk mee dwars uit.
In
het Engelse Kanaal kwam ik in een oefening terecht van
de Engelse marine waarvan de commander me in een prachtig
accent vroeg hoe diep de sleepdraad wel niet in het
water stak.
Ik
zei:”About 45 feet, why?” Hij antwoordde;” I got a submarine
down there and I better let her know.”
Enfin
we kwamen veilig in Rotterdam aan en het eerste wat
ze tegen me zeiden was:”we hadden gehoopt dat je hem
zou verspelen”. Mijn antwoord:” Had dat dan even gezegd.”
Sinds
die tijd werk ik alleen aan speciale klussen mee.
|