Mees Toxopeus vertelt
De schipbreuk van de Alexa

Ik heb nog eens zoiets meegemaakt. Die kapitein had het ook erg te kwaad. Dat was met de Alexa... in drieëndertig. Nee, dan kan ik beter bij het begin be-ginnen...

De negende januari drieëndertig was dat, een maand of negen na dat gevalletje met de Nobis. Toen kwam er bij mij thuis, op Oostmahorn, bericht van de kustwacht op Ameland dat er op het Bornrif lichten werden waar-genomen en dat daar waarschijnlijk een schip in nood zat...

Hij haalt met een wat verontschuldigend gebaar zijn schouders op. 'Ja, nou zul je wel denken: ,die kerel zijn verhalen beginnen allemaal hetzelfde,' maar daar kan ik niks aan doen. Het begint altijd met de melding dat er ergens een schip in nood zit. Soms is dat het Plaatgat, soms het Borkumerrif, soms ook de Bosplaat of het Bornrif. En de ene keer krijgen we het bericht van Rottum, de andere keer van Schiermonnikoog. Maar dat is dan eigenlijk ook alle verschil. Goed, die negende januari 1933 was het dan de kust-wacht van Ameland die meldde dat er op dat Bornrif weer eens een schip in nood zat... Hij kucht even. Met zijn hoofd schudt hij ,nee' en gaat verder: Nee, zo was het niet helemaal; de kustwacht van Ameland vertelde alleen maar dat er op het Bornrif een licht werd waargenomen. Maar als er op zo'n zandbank, een plaat of een rif lichten worden waargenomen dan betekent dat toch altijd dat er iets niet in de haak is, dat er iets is dat er niet hoort. Toen we dat bericht kregen zijn we met de Insulinde maar naar buiten gegaan.

We kregen die melding weer vroeg in de morgen. Het liep al tegen een uur of vijf, half zes toen we uit Oost-mahorn vertrokken. Er stond een westelijke wind, niet al te fel, zo'n windkracht vijf, maar er stond nogal een flinke windzee buiten. We voeren weer om de west onder de kust van Ameland langs en toen we dwars van Nes waren zagen we het schip op het Bornrif zitten, want het was toen al volop licht. Toen we nog dichterbij kwamen zagen we dat zij twee vlaggen uit het internationale seinboek ophad; de N.C. Dat betekende dat zij hulp nodig had, want die vlaggen zijn net zoveel als het S.O.S.-sein. Dat betekent: kom ons te hulp. En dat N.C.-sein had zij in de mast zitten. Afijn, we lieten de Insulinde langzaam naar dat schip toe drijven. Er stond daar maar weinig water en als er weinig water staat dan vaar je zo'n schip daar maar niet ineens met de kop recht voor naar toe natuurlijk, anders kun je wel eens rare peuters op de grond krijgen. Ik liet de Insulinde er dus langzaam naar toe drijven; als het dan te droog werd kon ik meteen maatregelen nemen om er weer af te komen. Als je aan de grond loopt heb je soms weer een hele hoop moeite eer je vlot bent. Goed, we kwamen bij dat schip. Het was een Fins schip, de Alexa. Ik riep toen aan die mannen op die schuit of ze de boot soms wilden verlaten?

Ze riepen terug dat ze dat niet wilden. Ze dachten er niet aan van boord te gaan. Toen vroeg ik weer: 'Waarom hebben jullie dat noodsein, de N.C., dan op...?' Er klinkt nog onderdrukte woede in zijn stem. Waarom moet een schip, met lichten, vuurpijlen of een vlag noodseinen geven als ze toch niet van plan zijn van de aangeboden hulp gebruik te maken? Mees Toxopeus is altijd, hoe zwaar en hoe slecht het weer ook was uit-gevaren wanneer dat nodig was, maar hij houdt er niet van om voor niks uit te varen. Als er noodseinen ge-geven worden moet er ook inderdaad nood zijn; dat is de ongeschreven wet van de zee. En hij was uitgevaren omdat er nood was. De N.C. hing immers in de mast. .. 'Waarom hebben jullie die N.C. dan op?' riep ik weer. Maar daar gaven ze geen antwoord op. Ze deden net alsof ze dat niet verstonden.

Toen wij daar lagen kwam er ook weer, net als bij de Nobis een sleepboot van Doeksen. Die jongens van Doeksen van Terschelling zijn er altijd als de pinken bij als er iets te bergen valt. Goede zeelui. Doeksen seinde ons of wij wel even bij hem wilden komen. Nou, dat konden we best doen; we hadden ja tijd genoeg. Het schip was niet direct in gevaar en de mensen wilden het schip niet verlaten. Wij gingen dus naar Doeksen toe. Die lag daar met de sleepboot Holland. Doeksen vroeg aan mij: 'Willen jullie wel een tros voor ons overbrengen?' Want die sleepboot had natuurlijk meer diepgang dan de Insulinde. ,Dat wil ik wel doen,' zeg ik. 'Maar ik geloof niet dat die kapitein hulp nodig heeft. Die wil zichzelf redden, als ik het goed begrepen heb.' 'Dat kan best zijn,' zegt Doeksen, 'maar dan komt ze er nooit weeraf.' 'Maar als die kapitein dat niet hebben wil,' zei ik weer. 'Dan hoeven we er ook geen tros heen te brengen.' Doeksen wreef eens over zijn kop. 'Nee,' zei hij, ,maar... zou jij mij wel daar aan boord willen zetten?' 'Best,' zei ik. 'Kom maar bij ons aan boord.' We zijn toen met de Insulinde tegen de Holland aangegaan. Doeksen is bij ons aan boord gesprongen en we hebben Doeksen naar de Alexa gebracht. Doeksen bleef bij ons aan boord staan en heeft toen zo met de kapitein van de Alexa gesproken. Maar die man wilde helemaal niks van een sleepboot weten. Nee, hij wou zichzelf redden. Hij meende dat hij best weer op eigen kracht vlot kon komen als het water hoog werd. 'Nou,' zei Doeksen eindelijk. ,Breng mij dan maar weer naar de Holland'.

Goed, dat hebben we gedaan. We hebben Doeksen terug-gebracht naar zijn schip en zijn toen opnieuw naar de Alexa gegaan...

Zijn stem verraadt iets van het ongeduld dat hij toen ook moet hebben gevoeld. Hij moest daar wel in de buurt blijven. Niet alleen omdat die N.C.-vlag daar nog steeds in de mast hing, maar ook omdat zijn eigen ge-voel hem zei dat het allemaal toch nog wel eens heel anders kon aflopen dan die kapitein zich voorstelde.

Goed, we hadden Doeksen dus weer op de Holland afgezet en gingen terug naar de Alexa. We voeren eens om dat schip heen en toen zagen we dat het roer kapot was, net als destijds bij de Nobis. Ik schoot dus die kapitein weer aan en vroeg hem of hij wist dat zijn roer kapot was? Nee, dat wist hij niet en hij wilde het niet geloven ook. 'Kom dan maar bij ons aan boord,' riep ik tegen hem. 'Dan zullen we om je schip heen varen, dan kun je het zelf zien...' Er trilt iets in zijn stem. Het grieft hem kennelijk dat die man hem niet geloven wilde. Hij vertelde dat toch alleen maar omdat het waar was en omdat hij zich ver-antwoordelijk achtte voor het leven van de mensen die aan boord van de Alexa waren. Goed, die kapitein komt bij ons aan boord. We varen achterlangs het schip om en toen kon hij er zich zelf van overtuigen dat de boel daar helemaal kapot was. Hij moest het toen wel geloven, want hij kon het ja zelf zien.

Toen hij dat zag, toen sloeg die kapitein zich met de vuist voor de kop en hij zei tegen mij, dat ik maar naar die sleepboot moest gaan om te zeggen dat ze vast moesten maken... Weer maakt hij een geërgerd gebaar met zijn hand. Het gebaar dat hij onwillekeurig toen ook wel zal hebben gemaakt. .Die man zei dat wel tegen mij, maar eigenlijk was dat toen al te laat. Als hij een sleepboot had willen hebben had hij dat eerder moeten zeggen. Het water kwam op dat ogenblik al op, het schoot meer en meer aan en er stond al tamelijk wat zee. Wij brengen die kapitein dus weer aan boord en Doeksen maakt klarigheid om verbinding te krijgen. Doeksen zelf kon dat niet doen, want die kon niet dicht genoeg bij het schip komen. 'Zouden jullie die tros willen overbrengen?' vraagt Doeksen aan mij.
Nou, wij waren gekomen om te redden. Of dat nou zus of zo gebeurd maakt natuurlijk niet zoveel uit. 'Best,' zeg ik dus. ,Geef maar hier.'

Had Doeksen ons toen maar meteen de zware sleeptros meegegeven...
Hij zwijgt even. Zijn vingers trommelen weer zachtjes op zijn knieën. Hij denkt erover wat er allemaal had kunnen gebeuren als het anders was gelopen. Maar het heeft hem bij de Alexa in geen enkel opzicht mee ge-zeten. De Alexa trouwens zelf ook niet. .Als Doeksen ons direct de sleeptros had meegegeven had dat schip er misschien nog af kunnen komen. Maar ze gaven ons een hieuwlijn mee; een dunne lijn waarmee ze aan boord van de Alexa de zware tros met de stoom-winch konden overhalen. Afijn, wij brachten die lijn over. De tros was van splinternieuw vierduims manilla. Toen we die lijn aan boord van de Alexa hadden kwam de machinist aan dek en zei dat hij geen stoom meer hebben kon omdat de ketel al in het water lag. Het schip was dus toen al lek. Ze hadden de vuren uitgetrokken en de stoomdruk was dus weggezakt. Ze hadden nog zoveel stoom, dat ze met de winch die dunne lijn gedeeltelijk konden binnendraaien. Maar de zware sleeptros, die aan die hieuw-lijn vastzat, bleef op grote afstand van dat schip in het water liggen.

Aan boord van de Alexa konden ze die zware tros niet met mankracht naar binnen halen. De hele boel raakte toen ineens in de war. Het schip liep vol water en de mensen wilden er allemaal af. Er waren ook nog vrou-wen aan boord. Iedereen was eigenlijk zo'n beetje zijn kop kwijt. De kapitein heeft toen naar ons geroepen dat we langszij moesten komen omdat de bemanning het schip wilde verlaten.

We hebben eerst die drie vrouwen overgenomen. Een daarvan kwam met een stuk water nog ondersteboven aan dek te liggen. Mijn broer Klaas hield haar vast en loodste haar naar het voorkajuitje, waar de beide vrou-wen al zaten. Maar er kwam weer een stuk water, of het schip maakte een duik, dat weet ik zo precies niet meer, in ieder geval lagen ze ineens allebei onderste-boven aan dek. Toen we de vrouwen van boord hadden, begonnen we met de andere mensen: de matrozen en stokers, alles ging van boord af. Op den duur hadden we ze allemaal op de Insulinde op één na... Het was weer net als met de Nobis. De kapitein wou het schip niet verlaten; de kapitein wilde aan boord blijven.

Ik zeg tegen de jongens: 'Hij moet er toch een keer af. We zullen hier maar blijven wachten.' Hij haalt weer even zijn schouders op en fronst z'n voorhoofd. Hij kan best begrijpen dat die kapitein zijn schip niet in de steek wilde laten. Maar hij wist ook dat het zinloos was aan boord te blijven. Dat weet hij niet alleen nu achteraf, dat wist hij ook toen al. Daarom bleef hij maar in de buurt. We zijn bij dat schip weg gegaan, de branding uit en daar zijn we met de kop op de wind blijven steken. Tegen de jongens heb ik gezegd, dat we wel naar huis konden gaan, maar dat ook dat geen zin had omdat ik zeker wist dat we er dan toch weer naar toe moesten. Het was dus veel beter als we daar maar bleven wachten. Nog een keer of wat zijn we toen bij de Alexa geweest. We hebben met de luchtfluit geblazen, maar er was geen kapitein te zien of te bekennen.

Op den duur dacht ik bij mezelf: 'God weet, wat die man zich aangedaan heeft'... Zijn hand komt even van zijn knie omhoog, maar hij laat het veelzeggend gebaar onvoltooid alsof hij zichzelf voor die gedachte schaamt. 'Misschien hangt hij wel in de kajuit,' dacht ik zo bij mezelf. Maar dat was toch niet zo, want tenslotte, toen het mij eigenlijk al begon te vervelen en ik dacht dat ik maar naar huis zou gaan als hij er nu nog niet was, dat hij het dan zelf ook maar weten moest, kwam die kapi-tein dan toch weer aan dek. We kwamen weer bij de Alexa. De kapitein had zich netjes aangekleed. Hij had zijn zondagse kleren aan en hij had zo'n plunjezak bij zich. Wij kwamen tegen het schip aan en hij wilde die klerenzak in het springnet gooien, maar die kwam in het water terecht.

We hebben eerst die plunjezak weer opgevist en zijn opnieuw tegen de Alexa aangegaan. Toen is ook de kapitein bij ons aan boord gekomen. Wij hadden alle hens gered, drie vrouwen en twaalf mannen... Er klinkt iets van trots in zijn stem. De zee had ze niet gekregen; hij, Mees Toxopeus, had ze. De zee rondom ons was toen overal al bedekt met houten spoorbiels, die ze als deklast geladen hadden- en met triplex dat in de ruimen zat. De zeeën sloegen alles kort en klein wat er aan dek was. Deuren vlogen uit de hutten en de mannen konden zich amper meer aan dek vertonen. Als die kapitein er eerder toe overgegaan was om een sleepboot te nemen, voor de zeeën over het dek heen sloegen, hadden ze haar misschien nog vlot kunnen trekken en was alles anders gelopen. Dan hadden ze in ieder geval nog een kleine kans gehad om het schip te redden...

Hij tikt weer zachtjes met zijn vingers op zijn knieën. Het lijkt wel of hij er nog geen vree mee heeft dat het met de Alexa zo gelopen is. Misschien is dat ook weI zo. Het had hier immers anders kunnen lopen. Iets van die onvrede klinkt er in ieder geval door in zijn stem als hij weer verder gaat. Maar met de Alexa is het al net gegaan als met de NobIs. Ze hebben veel te lang gewacht om een sleepboot te nemen. Je zou haast gaan denken dat ze die schepen moedwillig hebben weggebracht, want ook de Alexa was weer een oud schip, een jaar of vijftig wel. Ze was maar een jaar of tien jonger dan de NobIs. En net als de Nobis was ook de Alexa vroeger een passagiersschip geweest. De Nobis had van Duitsland, van Hamburg op Zuid-Amerika gevaren, de Alexa voer vroeger als passagiersschip van Finland door de Oostzee op Duitsland. Je kon dat nog heel goed zien, want de patrjspoorten zaten er nog in.

Maar goed, we hadden dus alle vijftien man van boord en gingen weer op weg naar huis. Voor ons was er verder niks te doen. Maar voor ik koers zet naar Oostmahorn vaar ik eerst nog even langs de Holland van Doeksen. En ik vertel ze daar dat alles van boord is, dat het schip verlaten is en dat ze nu verder zelf maar moeten weten wat ze doen. Want het kon natuurlijk best zijn dat Doeksen wou proberen een paar man aan boord van de Alexa te brengen. Die kapitein hoort dat ik tegen Doeksen zeg dat het schip verlaten is en die wordt me toch kwaad! Hij wordt zo kwaad dat hij regelrecht op het dek begint te stampen. En nogal hard ook. Zo kwaad was die man. 'Daar hoef je toch niet zo kwaad om te worden, man!' zeg ik tegen hem. 'Het is immers waar wat ik zeg.' Maar hij was zo kwaad, hij gaf geen antwoord.

We zijn weer langs de kust van Ameland gevaren, naar het Friesegat toe en 's avonds, het was al donker, zijn we in Oostmahorn aangekomen. Daar hebben we die mensen aan land gezet. De volgende dag zijn we weer naar de Alexa gegaan om foto's te maken. Het schip zat toen al helemaal onder water; alleen de brug en een gedeelte van het achterschip staken nog boven water uit, maar in de midscheeps, boven de ruimen en zo stond alles al onder water. Het schip was verloren... Hij schraapt even zijn keel. Boven de boord van zijn trui danst zijn adamsappel op en neer. Hij slikt. Er ligt een heel andere klank in zijn stem als hij weer verder gaat. Het lijkt medelijden.

' . . Achteraf kan ik me best voorstellen dat die kapitein zo hels werd toen hij mij tegen Doeksen hoorde zeggen dat het schip verlaten was. Want het verlies van zijn schuit was een hele slag voor die man. Die kapitein had vroeger altijd voor die rederij gevaren op een groot schip; op een schip van zo'n vijf, zesduizend ton en hij had daar nooit één ongeluk mee gehad. De Alexa was een oud schip. En voor een oud schip moeten hoge verzekeringspremies worden betaald. Daar-om hebben ze in Finland, op het kantoor van de rederij, gezegd: We zullen die kapitein die op dat grote schip vaart, vragen of hij niet op de Alexa varen wil. Die man had immers nog nooit een ongeluk gehad en ook haast nog nooit averij opgelopen met een schip. Ze hadden hem dus gevraagd of hij een aandeel in de Alexa hebben wilde en of hij wel op dat schip wilde varen. En die kapitein heeft dat aangenomen. Hij is van dat grote schip afgestapt, hij is kapitein ge-worden op de Alexa met een aandeel in dat schip. Op het kantoor van de rederij hebben ze toen gezegd: we halen nu dat schip uit de verzekering, het is een oud schip en dan kunnen we er een jaar of wat nog flink aan verdienen! Zo is dat gegaan.

Die kapitein kreeg een lading; triplex en spoorbiels. Om niet al te veel onkosten te maken voer hij rond Schagen, ging het Kattegat door en kwam zo in de Noordzee. Maar toen hij eenmaal in de Noordzee was, was het onzichtig weer en kon hij geen zon nemen. Hij moest dus varen op gegist bestek zoals wij dat noemen. Ze stuurden koers op het lichtschip Terschellingerbank. Op een gegeven ogenblik moesten ze volgens hun be-rekeningen en hun peilingen met de log haast bij dat lichtschip zijn. Ze zagen dat tenslotte ook. Tenminste dat dachten ze. Ze zagen een licht dat drie slagen gaf en ze dachten dat dat het lichtschip Terschellingerbank was. Maar wat wil nou het geval? Terschellingerbank geeft drie slagen, maar de vuurtoren van Ameland geeft ook drie slagen. Alleen de tussenruimte van het lichtschip en het Amelander licht zijn natuurlijk verschillend; de een heeft twintig seconden en de ander dertig seconden. En toen ze aan boord tegen elkaar zeiden: Kijk, daar is Terschellingerbank, recht vooruit, toen was dat het Amelander licht!'...

Hij knippert even met zijn ogen. Zijn hand tikt nog steeds op zijn knie. Het is duidelijk nu; de andere klank in zijn stem is inderdaad medelijdend. Hij vindt het jammer voor die kapitein dat door een vergissing dit alles zo gelopen is. 'Als je op de kaart kijkt, zie je, dat bij Terschelling, bij dat eiland, de Nederlandse kust van richting ver-andert. De kust gaat daar zuidwest op. Kom je nu van Schagen af en je houdt zuidwest aan, dan kom je inderdaad zo ongeveer bij Terschelling voor de Nederlandse kust. Maar ze voeren, zoals ik al zei, op gegist bestek en konden geen zon schieten. De stroom heeft hen waarschijnlijk wat weggedreven en zodoende zijn ze verder om de oost gekomen dan hun berekening was. Ze hebben ook het Amelander licht nog aangezien voor het vuur van Terschellingerbank en zijn toen bovenop het Bornrif gelopen.

Het is dus best te begrijpen dat die kapitein zeer onder de indruk was omdat hij daar zijn schip moest verspelen. Hij had natuurlijk een paar centen overgespaard toen hij op dat grote schip voer. Ze hebben hem op dat andere schip, op de Alexa, gezet. En de eerste reis die hij met dat oude schip deed verspeelde hij haar meteen. Dat heeft die man zeer aangegrepen. Daarom werd hij ook zo kwaad toen ik tegen Doeksen zei dat het schip verlaten was. Ik kan me dat best voorstellen'...

Hij blijft even zwijgen. Hij kijkt strak naar het vloerkleed. Dan haalt hij zijn schouders op. Het is nu een-maal gelopen zoals het gelopen is. 'We kwamen binnen in Oostmahorn met die vijftien mensen aan boord. En zoals dat dan altijd ging, er waren natuurlijk fotografen en krantenmensen. Ze heb-ben daar met blitzlicht nog foto's genomen. Die kapitein wilde eigenlijk helemaal niet gefotografeerd worden, maar er stond de andere dag toch een plaatje van hem in de krant. De volgende dag gingen wij weer naar het Bornrif toe om eens te zien hoe het schip erbij zat. De kapitein ging mee en er ging nog een stoker mee ook. Die wilde zijn bril ophalen die hij aan boord had laten liggen. We kwamen op het Bornrif, maar we konden toen al niet meer aan boord komen. We hebben foto's gemaakt, we zijn langs alle kanten om het schip heen gevaren, we hebben haar vaarwel gezegd en hebben koers gezet naar huis.

De Alexa was reddeloos verloren'... Hij zwijgt even. Het lijkt alsof hij aarzelt. Heel even maar. 'Ik sta bij die kapitein, hij staat met mij te praten en ineens begint hij te huilen; te huilen als een klein kind.'

  • De redding van de Alexa - vertelt door Klaas Toxopeus

    Of monster nu aan bij de Redding.


  • De redding

    Wat drijft een mens? Waarom wil je redder worden, dominee, cabaretier of boekhouder? Die vragen kunnen telkens opnieuw gesteld worden omdat elke tijd zijn eigen antwoorden geeft. Vanaf zijn geboorte was Klaas Toxopeus geboeid door het water, de zee en alles wat daar menselijkerwijs aan vast zat. Voor hem was er na de lagere school maar één richting: het zeegat uit. Maar zijn vader, zijn cultuur, besliste aanvankelijk anders.

    Hans van Seventer


    © -10° Media Producties