Toen we in de vroege morgen van 9 Januari 1933 door de branding van de gronden van het Friese gat naar buiten gingen, wisten we alleen dat een onbekend stoomschip in gevaarlijke positie op het Bornrif was vastgelopen. Het was stormweer uit het Noordwesten en elk schip, dat met zulk weer op het Bornrif verdaagt, maakt een kwade kans.
Tegen de achtervloed in boksten we ons met negenmijlsvaart door de hoge zee om de West. Dwars van Nes op Ameland zagen we heel in de verte een rookpluim: dat zou wel een sleepboot van Doeksen zijn. En even later konden we van de top van een hoge golf vaag de vorm van een schip onderscheiden, dat volgens onze peiling op het Bornrif moest zitten. Toen we het rif naderden, bleek het een klein schip te zijn: schip-per Mees schatte het op een dikke duizend ton. De sleepboot, die we al dwars van Nes verkend hadden was de 'Holland' van Doeksen.
Mees liet de 'Insulinde' met de kop op zee komen en ging toen, lang-zaam stekende, op het schip af. Het was de 'Alexa' - een Finse boot, ge-laden met spoorbiels. Het tij was inmiddels gekenterd, er liep al een zware eb. Kans, dat het schip dit tij nog vlot zou komen, was er niet.
Schipper Mees hield vlak bij de 'Alexa' langs en vroeg of de beman-ning het schip wilde verlaten. Het antwoord was neen. We hadden niet anders verwacht. Zolang het schip geen water maakt en met het vallen van het water de zee op het rif wat gemakkelijker wordt, zien de mensen aan boord van een gestrand schip het meestal nogal rooskleurig in. Ze weten niet, dat het schip zich tot het volgende hoogwater in het zand van het rif werkt, zware klappen incasseert van de brekers die er toch nog lopen en meestal flink lek is gestoten tegen de tijd dat er water genoeg is om hoop te hebben op vlot komen. Als het stormweer blijft moet het een ijzersterk schip zijn, dat bij het volgende hoogwater, twaalf uur later, nog zeewaardig is. Meestal is het een wrak op het ogenblik dat de sleep-boten in actie kunnen komen.
Deze Fin zag het - volgens de gewoonte op het rif - niet zo somber in. Hij had geen noodsein gehesen en de bemanning aan dek stond vol be-langstelling naar de dolle capriolen van de 'Insulinde' te kijken. Wij van onze kant gaven onze ogen goed de kost. Alles wat je bij zo'n verkenning van het schip opmerkt, kan je later te pas komen.
Ook onze motordrijvers waren aan dek gekomen. Het is altijd een imposant gezicht, een schip in de branding - en als er even gelegenheid is, neemt iedereen aan boord van de reddingboot de kans waar dit altijd weer nieuwe schouwspel te bekijken.
Het zag er niet zo mooi uit. De 'Alexa' maakte zo'n vijf en dertig graden slagzij. En zijn hoge kant was aan de lijzijde. Als we de mensen van boord moesten halen, zouden we het springnet niet kunnen gebruiken.
'Dat wordt bonken en stoten, als het zover is,' zei schipper Mees. 'Ze zullen er met de stormleer bij neer moeten.'
Plotseling begon de 'Holland' met zijn stoomfluit te werken. Of we bij hem wilden komen. Wij door de brekers naar het hele water, waar de 'Holland' lag te wachten. We waren daar net of ook de 'Alexa' begon te fluiten. Een ogenblik later ging in de mast van de Fin een vlaggesein omhoog, waarin hij de sleepboot vroeg vast te maken. Ze hadden daar aan boord dus eindelijk in de gaten gekregen, dat elke minuut op het rif precies een minuut te lang was.
Maar hoe moest de 'Holland' verbinding maken met de 'Alexa'? De bergers hebben allerlei maniertjes voor het overbrengen van de sleeptros. In open zee zijn zij heel wat mans in dit opzicht. Maar in de branding kan een schip als de 'Holland' zich niet wagen. Het zou even hulpeloos aan de grond geslagen worden als het schip, dat het moest afslepen.
'Zou je de tros voor me aan de 'Alexa' kunnen overgeven ?', praaide de kapitein van de 'Holland' ons.
Onze schipper riep terug, dat hij het zou proberen. Wij waren uit om mensen te redden, maar als we binnen zekere grenzen kunnen helpen bij het bergen van schip en mensen, laten we ons niet kennen. Als een ge-strand schip losgetrokken wordt, hebben de opvarenden toch altijd nog een betere kans, dan wanneer ze in de branding, van een wrak op de reddingboot over moeten springen. En om de kansen voor de mensen gaat het - ook als we een tros overbrengen voor een sleepboot.
Terwijl de 'Holland' zo dicht mogelijk de rand van de branding zocht, manoeuvreerde de 'Insulinde' zich in de beste positie voor het overne-men van de tros. De tamp bleef op de 'Holland' en met de rest gingen we voor de zee weg langzaam in de richting van de 'Alexa'. Het was uit-kijken in de branding - als we een kruller van achteren kregen, gierde de tros over de reling. Toen we in de buurt van de Fin kwamen, zagen we al een paar matrozen op de bak klaar staan.
'Kijk eens, vrouwen aan boord,' riep Mees plotseling. En ja, in de midscheeps stonden drie vrouwen - waarschijnlijk stewardessen, die al-lerlei huishoudelijk werk aan boord van sommige Scandinavische en Russische schepen doen.
Wij hadden intussen een vanglijn op de tamp van onze tros gestoken. Mees liet de 'Insulinde' rakelings langs de Fin lopen. Ik gooide de vang-lijn over en dat ging best, de Finnen kregen hem prachtig aan boord. Op de 'Alexa' hoorden we enige ogenblikken later de stoomwinch ratelen voor het inhieuwen van de zware sleper. Binnen een half uur was het voor elkaar en was er verbinding tussen 'Alexa' en 'Holland'.
Het wachten was nu op de vloed.
De 'Holland' had geen halve maatregelen genomen. De sleepboot had een anker uitgebracht. Wanneer het straks op trekken zou aankomen, zou de ankerwinch alles op alles zetten om de ankerketting in te hieuwen. Daardoor zou de trekkracht van de sleepboot in het beslissende ogenblik aanzienlijk versterkt worden. Nu volgden de uren van wachten, die elke redder en berger kent. De vloed kwam door en zette bij nog wakkerende Noordwestelijke storm hard aan. De 'Alexa' werd in de zwaar aanschietende zee heftig door de brekers belopen. Er liepen al zware stukken water over zijn deklast. Dat hoefde niet al te lang te duren of de sjorrings zouden het begeven - en dan zou Leiden in last zijn.
Het schip begon zwaarder en zwaarder te werken, werd opgelicht en met zware knallen op het harde zand van het Bornrif neergekwakt. Wij, die dit al zo vaak meegemaakt hadden, wisten dat nu de afbraak van het schip in volle gang was. Zo'n afstraffing overleeft alleen een ijzersterk, nieuw casco - en dan mag het niet eens al te lang duren. Wat wij zagen, was de doodstrijd van het schip, al beseften de Finnen aan boord dit niet.
Plotseling braken de eerste staaldraden van de deklast op het voorschip. Een zware breker nam in één keer een tjalkvol biels mee, die in de kokende branding om het schip heen en weer schoten als stormrammen. Het werd gevaarlijk voor ons. Als onze schroeven op zo'n zwervend stuk hard hout zouden slaan, konden we zelf wel eens in heel onplezierige moeilijkheden komen.
De bemanning van de 'Alexa' had zich nu onder de brug verzameld. De drie vrouwen hielden zich wat achteraf, maar als we langs de mid-scheeps van het schip schoten, konden we aan haar gezichten wel zien dat ze er helemaal niet gerust op waren. En wij wisten dat ze gelijk had-den. Er zou een wonder moeten gebeuren als de 'Alexa' nog van het rif verlost wilde worden.
Toen gaf de 'Holland' met zijn stoomfluit het sein: 'Trekken!' Twaalf-honderd paardekrachten hingen in de trossen - ongerekend de kracht, die de hard ratelende ankerwinch ging uitoefenen, die druk doende was de ankerketting in te hieuwen. In zulke ogenblikken staat alles op buigen of barsten, het was een machtig gezicht die grote sleepboot onder een roetzwarte wolk van rook aan de rand van de branding bezig te zien. Grote vegen water scheerden over de 'Holland' - de zee zette met de vloed steeds meer aan.
Het werd nog niets, het was nog te vroeg. Na een halfuur stopte de sleep-boot het trekken om eerst te wachten op hoger water. Ondertussen ging de afbraak van de 'Alexa' steeds door. Het grootste gedeelte van de deklast was al overboord, alles aan dek was door elkaar geslagen en stukgebeukt.
'We zullen de zaak eens van dichtbij bekijken,' zei Mees.
Hij manoeuvreerde voorzichtig tussen de drijvende biels door naar de 'Alexa'.
'Maakt je schip water?', schreeuwde hij naar de kapitein.
'Ja,' riep die terug.
'Dan weten wij het wel,' zei Mees tegen ons. 'Dag Alexa, dit wordt je eindstation.'
Ondertussen was de 'Holland' weer gaan trekken. De slagzij van de 'Alexa' nam nog toe, maar beweging kwam er niet in het schip.
Plotseling hoorden we de knal, waarvoor elke berger bij zijn gevaarlijk werk vreest: de sleeptros van de 'Holland' was gebroken.
Aan boord van de 'Alexa' zagen we de Finnen in de midscheeps met opgewonden gebaren heen en weer rennen, maar niemand waagde zich meet op het voorschip. De 'Holland' riep ons met de stoomfluit: wij werkten ons naar de sleepboot toe.
'Hoe Staat het met het schip?', schreeuwde de kapitein van de 'Hol-land.'
'Het maakt water. Deklast voorschip is al overboord. Hopeloos !', riep Mees terug.
'Hij geeft een vlaggesein,' zei Steegstra.
Mees nam de kijker. 'Het is de N.C.,' stelde hij vast. 'Het is onze beurt jongens.'
Door de branding boksten we opnieuw naar het schip toe. De deklast op het achterschip was ook bezig over boord te gaan: het was hout en nog eens hout in de brekers. Een griezelige geschiedenis, maar we moes-ten er door. Het zwaar overhellende schip was nu een weerloze speelbal van de zee. Brullend wierp de branding zich op de luikhoofden, ver-splinterd hout begon zich met de biels te mengen in een kokende zee.
'Dat zal een toer worden,' zei Mees. 'Dat wordt een verlegen boel aan lij, jongens.' Geen springnet, we moesten aan de hoge kant van de Fin werken. En het water vol wild heen en weer zwiepend hout. We schoten met zware klappen langszij.
De Finnen aan boord schreeuwden in alle talen door elkaar, koffers en plunjezakken kwamen aan dek van de 'Insulinde'. Sommige barstten open. We grepen de boel met armen vol bij elkaar en kwakten het voorin
- ze moesten het zelf maar uitzoeken.
De Finse kapitein stond bij de reling en had de boel stevig in de hand. 'Eerst de vrouwen!', schreeuwde hij. Ik had er een hard hoofd in. De 'Insulinde' werd met zware klappen tegen de scheepswand van de 'Alexa' gegooid - en de schipbreukelingen moesten deze scheepswand met een stormleer afdalen. Eén verkeerde beweging van de reddingboot, één te trage reactie van de man op de ladder - en het zou hommeles zijn.
De eerste, die naar omlaag kwam was een vrouw. Ze had een handtas onder de arm, ik zie haar nog de ladder afkomen. Angstwekkend dicht bonkte de 'Insulinde' nu en dan onder de benen van de vrouw langs 'Hoger, hoger!', schreeuwden we. Plotseling kregen we een enorme zwieper. De fender van de 'Insulinde' raakte de stormleer. Wij hielden ons hart vast, maar goddank werd de vrouw niet geraakt. Wat wel ge-beurde was haast even erg. De klap tegen de stormleer was zo hard aan-gekomen, dat één van de touwen brak, waardoor de plankjes plotseling in loodrechte stand kwamen te staan en de vrouw het houvast voor haar voeten verloor.
We dachten niets anders, dan dat de vrouw in zee zou vallen tussen reddingboot en schip en we vlogen al met drie man naar de reling om haar op te pikken. Maar terwijl de 'Insulinde' door een zwaar stuk water werd weggegooid, zagen we dat de kranige vrouw bleef hangen aan één vrije hand. Wat zij hierna presteerde in onmiddellijk levensgevaar zal mij altijd bij blijven als een van de dapperste en koelbloedigste daden, die ik ooit heb zien verrichten. Met haar vrije hand haalde ze de losse tamp, die bij haar neerhing, op en slingerde hem bij de scheepswand op naar de mannen daarboven.
Toen konden ze de stormleer weer recht trekken en vond de vrouw weer een veilige plaats voor haar voeten. Meteen was de 'Insulinde' weer langszij. De reddingboot zwiepte omhoog en in hetzelfde ogenblik pluk-ten we haar van de leer.
De twee andere vrouwen volgden. Ook zij hielden zich kranig en we kregen ze zonder bijzondere moeilijkheden aan boord. Daarna volgde de mannelijke equipage - en hier waren er bij die een puntje konden zuigen aan de moed van de vrouwen. Het beroerde bij besluiteloze, angstige mensen op de leer is, dat hun angst het gevaar buitensporig vermeerdert. Als de reddingboot tegen het schip ligt te springen heb je een heldere kop en ijzersterke zenuwen nodig om koelbloedig het goede ogenblik te kiezen. Angst is dan de slechtste en gevaarlijkste raadgeefster, die de schipbreukeling vaak opzwiept tot onnadenkende roekeloosheid. We kregen echter de hele bemanning veilig over - wat in een paar woor-den gezegd is, maar een stuk werk en spanning vertegenwoordigt waar de buitenstaander geen idee van heeft.
Het wachten was nu op de kapitein, maar die was nergens te vinden. De stuurman van de 'Alexa' maakte zich over zijn ouwe ernstig ongerust. 'Kijk eens,' zei hij in zijn gebroken Duits 'de rederij heeft de 'Alexa' deze reis uit de verzekering genomen. De premie is voor dit oude schip te hoog bij de lage vrachten van tegenwoordig. Om zo veilig mogelijk te zijn, heeft de reder zijn beste kapitein aan boord gezet - een man, die de laatste jaren het commando heeft gehad op schepen van acht tot tiendui-zend ton en in zijn hele loopbaan nog nooit een aanvaring heeft gehad of schipbreuk heeft geleden. Nu kun je nagaan, wat er in hem om moet gaan. Een onverzekerd schip en de reder heeft hem zijn volle vertrouwen gegeven - en nu is het schip verloren.'
'We hadden Kaap Skagen gerond,' vertelde de stuurman verder, 'en kregen het toen drie dagen dik van mist. Toen we uit de mist kwamen, hadden we geen bestek. We verkenden een kustvuur en maakten uit dat het Terschelling moest zijn. Eerst toen we op het Bornrif stootten, kre-gen we in de gaten, dat het Ameland was.'
Anderhalf uur verstreek. Toen verscheen de kapitein weer op de brug. De stuurman van de 'Alexa' praaide hem op zijn Fins, maar de ander antwoordde niet eens. Hij liep als een razende op zijn brug heen en weer, bleef nu en dan staan en sloeg zich met de vuist op het voorhoofd.
'Die vent wordt nog stapelgek,' zei ik tegen Mees.
Mees begon nu ook tegen hem te roepen. 'U moet het schip verlaten, kapitein!', schreeuwde hij. 'We kunnen hier met vijftien man aan boord niet langer liggen wachten. Het is hoog tijd U over te nemen.'
Tenslotte ging hij toch van de brug af en verdween in zijn hut. Weer verstreek een kwartier. Toen kwam hij weer aan dek met een grote plun-jezak achter zich aanslepend.
'Goddank,' zei Mees. 'Nou zal het er dan toch van komen.'
Mees bracht de 'Insulinde' weer langszij. Het water was nu met de volle vloed er achter bar gemeen geworden, wolken buiswater vlogen tot ver boven de schoorsteen van de 'Alexa' op. De kapitein gooide zijn plunjezak naar beneden, maar door een verkeerd zeetje schoot de boot er net onder vandaan. De zak kwam in zee terecht en werd meteen op een flink stuk water een eind weggezet.
 |
|
'Dat is het hele hebben en houden van de ouwe,' schreeuwde Mees. We pikken het op.'
Na een paar vergeefse pogingen kregen we de zak in de bootshaak. Nu weer terug naar de 'Alexa': volle kracht tegen de brekers op. De kapitein klauterde over de reling en ging de stormleer af. De reddingboot kwam even langszij, gierde op de zee omhoog en met een sprong van een jonge kerel stond de minstens zestigjarige kapitein aan dek van de 'Insulinde'.
Het ging nu op Oostmahorn aan. De 'Holland' feliciteerde ons met de redding van alle hens door een paar stevige stoten met de stoomfluit. Zij stonden en weer naast, de bergers. Ook zij hadden schip en levens gewaagd - maar niets bereikt dan het verliezen van een sleeptros. Een hard vak met onnoemelijke risico's, vooral op deze kusten.
Toen we buiten de branding waren, zei Mees tegen me: 'Breng die vrouw even voorin, Klaas. En geef haar een mok cognac, ze krimpt van de kiespijn.'
Ik beduidde de Finse, dat ze met me mee moest gaan. Toen we samen achter de stuurbrug vandaan kwamen en dwars van de motorkamer wa-ren, kwam er plotseling een Janus van een stuk water over van heb ik jou daar. Voor ik wist wat er met me gebeurde, waren me de benen onder het lijf vandaan geslagen. Ik greep wat ik grijpen kon, en laat ik daar, als het water weggetrokken is, nu zwaar gearmd met de Finse tussen reling en stuurhuis op dek liggen! Man, wat hadden die kerels in de brug een pret. Ik lachte maar mee, hielp m'n dame overeind en bracht haar naar het voorlogies. Daar kreeg ze een grote mok cognac van me, waar alle kiespijn ter wereld niet tegen op zou kunnen. Zelf nam ik ook een spatje - voor de nattigheid. Toen bediende ik de anderen voor en achter.
Ik grabbelde wat droge kleren uit mijn kooi en verdween in de voorste motorkamer.
'Wat mot jij ?', vroeg Reinigert.
Ik wees op mijn droge kleren. Het volgende ogenblik stond ik poedel-naakt. Toen ging me die Reinigert zo onbedaarlijk lachen, dat ik werke-lijk dacht: hij blijft erin.
'Wat mankeert jou?', vroeg ik. 'Heb je daar wel vaker last van?'
Hij kon niet praten maar wees naar het opengedraaide mangat, dat toegang gaf tot het voorlogies. En wie stonden daar belangstellend naar de machines te kijken? Twee Finse dames en ze grinnikten me toe. Later heb ik me laten vertellen, dat Finse vrouwen niet zo gauw schrikken: het schijnt daar de gewoonte te zijn in het publiek zonder zwembroek te ba-den en te zwemmen.
Maar dat wist ik toen niet - en het was een rare ervaring, geloof dat
van me.
'Je had me wel even kunnen waarschuwen, Reinigert,' zei ik.
'Dat had ik voor geen geld ter wereld gedaan,' antwoordde Reinigert. Hij schoot nog telkens in de lach.
Om half tien 's avonds kwamen we te Oostmahorn met de maatschap-pijvlag in top. Vijftien mensen gered - wat een prachtig vak hebben we toch. Geen een van ons sprak het uit, maar we dachten het allemaal toen we van boord stapten. Mooier vak is er niet - en wij kunnen het weten.
De redding van de Alexa - vertelt door Mees Toxopeus
Of monster nu aan bij de Redding.